Ieder jaar koop ik hem weer: het Molboekje. Ik neem me vervolgens voor het dit seizoen écht goed te doen. Kandidaten afstrepen, verdachte acties opschrijven, bijhouden waar geld verloren gaat. Misschien zelfs nog iets slims ontdekken waar heel Reddit overheen heeft gekeken.
Tien minuten later ligt dat boekje meestal naast me. Niet omdat ik niet meer geïnteresseerd ben, juist het tegenovergestelde. Ik zit te kijken naar wie waar gaat staan, waarom iemand een bepaalde taak kiest, wie opvallend weinig doet en hoe een opdracht eigenlijk in elkaar zit. Ondertussen moet er natuurlijk ook nog even worden geroepen dat iemand overduidelijk de Mol is. Om een week later iemand anders overduidelijk de Mol te vinden.
Ik ben, vrees ik, gewoon een Molloot.
Maar toen we onlangs ook Wolven gingen kijken, viel me iets op. Want ik hou ook van De Verraders, van quizzen als The Floor en zeker van de Belgische De Mol, misschien nog wel meer dan van onze eigen versie. Blijkbaar zoek ik steeds hetzelfde soort televisie op. Alleen wist ik nog niet precies wat.
Het moet wel ergens over gaan
Bij Wie is de Mol? kijk ik niet alleen naar de kandidaten. Ik kijk naar het spel. Een goede opdracht geeft iedereen iets te doen, verdeelt informatie, creëert chaos en biedt ondertussen genoeg ruimte voor één iemand om de boel nét subtiel genoeg te saboteren. Voor kandidaten moet achteraf iets te reconstrueren zijn. Voor mij op de bank eigenlijk ook.
Het officiële Molboekje is daar inmiddels bijna een erkenning van: het wordt letterlijk verkocht om aantekeningen te maken en de Mol te ontmaskeren, compleet met invulschema’s. Dat klinkt als een detail, maar volgens mij zit daar een behoorlijk belangrijk verschil met gewone televisie. Ik wil niet alleen weten wat er gebeurt. Ik wil iets hebben aan wat ik heb gezien.
Die kandidaat die vijf minuten geleden per se links wilde staan: was dat logisch? Waarom nam hij juist die envelop? Waar verdween dat geld? Was dat onkunde, paniek of sabotage? En soms is het antwoord natuurlijk gewoon: kandidaat met slecht richtingsgevoel. Ook mogelijk.
Misschien is dat waarom België zo goed werkt
Wij kijken thuis ieder jaar naar de Nederlandse Wie is de Mol?, inclusief familiepoule in de app. Maar waar ik echt naar uitkijk, is de Belgische De Mol. Daar probeer ik inmiddels zelfs andere mensen voor te bekeren.
Niet omdat de Nederlandse versie slecht is. België voelt voor mij anders: filmischer, minder alsof ik naar een spelprogramma kijk en meer alsof ik midden in een avonturenserie terechtkom waarin toevallig één enorme klootzak de opdrachten probeert te verpesten. De omgeving speelt mee, de muziek, de montage. Maar vooral de opdrachten.
Dat laatste begon me pas echt op te vallen bij de nieuwe streamingeditie van Wie is de Mol?. Die speelt zich dit jaar af in Kroatië en wordt gepresenteerd door Hila Noorzai. En laat ik meteen zeggen: Hila past er wat mij betreft uitstekend bij. Vlot, mysterieus, geen overdreven gedoe. Ze kan zo’n spel presenteren alsof er daadwerkelijk iets op het spel staat. Ook de serie zelf ziet er mooi uit.

Maar na twee afleveringen merk ik dat ik toch iets mis. Eendjes vangen. Met een geweer schieten. Boodschappen doen. Naar elkaar schreeuwen. Dat is wat oneerbiedig samengevat, maar precies daarin zit voor mij het probleem: het ziet eruit als De Mol, alleen leveren de spellen nog relatief weinig op waarmee ik verder kan.
En toen viel het kwartje. Een opdracht hoeft voor mij niet alleen leuk te zijn. Hij moet informatie produceren.
De Verraders heeft precies het tegenovergestelde probleem
De Verraders vind ik fascinerende televisie. Een groep mensen zit een paar dagen bij elkaar en begint vervolgens met verbazingwekkend veel overtuiging conclusies te trekken uit vrijwel niets. “Hij kijkt anders.” “Zij is ineens wel héél stil.” “Ik voel gewoon dat jij het bent.” Prima. Zaak rond.
Het mooie is natuurlijk dat jij als kijker vaak weet wie de Verraders zijn. Je kijkt dus naar mensen die langzaam een theorie bouwen waarvan jij allang weet dat die nergens op slaat. Dat kan heerlijk zijn.
Maar als spel zit daar voor mij ook de zwakte. Er zijn grote opdrachten en er wordt gespeeld om geld en schilden. Toch blijft de kern dat de groep de Verraders vooral via gedrag en gesprekken probeert te vinden. De opdracht en het mysterie leven grotendeels naast elkaar. Je kunt briljant zijn in een treinopdracht en daarmee nog steeds nul komma nul dichter bij het antwoord komen. En dan kom je dus weer uit bij: “Hij keek vanochtend raar naar zijn koffie.”
Wolven doet iets slimmers
Daarom vind ik Wolven op dit moment zo interessant. Het uitgangspunt is bekend: een groep Burgers met daartussen een paar Wolven. Overdag praat en speelt iedereen met elkaar, tijdens het Dorpsberaad wordt iemand verdacht en ’s nachts slaan de Wolven toe. Dat komt rechtstreeks uit de wereld van social-deductiongames als Mafia en Weerwolven, waarin een ongeïnformeerde meerderheid een geïnformeerde minderheid probeert te vinden. Misleiding, vertrouwen en groepsgedrag zijn daar geen bijzaak. Ze zijn het spel.

Maar Wolven voegt iets toe wat ik bij De Verraders mis: de spellen doen ertoe. BNNVARA zegt het zelf: tijdens missies en gesprekken zoeken de spelers naar informatie die hen dichter bij de Wolven brengt. Wat je overdag doet, beïnvloedt dus wat je later weet. Daarmee ontstaat ineens een ketting. Spelen, informatie krijgen, iemand verdenken, kijken hoe diegene reageert, nieuwe informatie, opnieuw twijfelen.
Dát vind ik leuk. Misschien zelfs iets te leuk, want inmiddels merk ik dat ik eigenlijk voor de Wolven ben.
De slechterik moet wel een kans houden
Dat vond ik zelf ook een vreemde ontdekking. Je zou verwachten dat je als kijker wilt dat de Burgers de Wolven vinden; dat is tenslotte het doel. Maar hoe meer kaarten, informatie en mogelijkheden de Burgers verzamelen, hoe makkelijker het voor ze wordt. En ergens hoop ik juist dat de Wolven zich eruit weten te lullen. Niet omdat ik ineens een principieel voorstander van het kwaad ben, maar omdat het spel anders ophoudt spannend te zijn.
Ik wil dat de Burgers informatie krijgen, maar niet te veel. Ik wil dat ze iets kunnen afleiden, maar niet dat het antwoord vanzelf uit een kaartje rolt. Ik wil uiteindelijk weten wie de Wolven zijn. Maar alsjeblieft nog niet nu.
Eigenlijk wil ik dus helemaal niet dat één kant wint. Ik wil dat het systeem zo lang mogelijk overeind blijft.
En een gewone quiz dan?
Daarmee dacht ik eerst dat het vooral ging over televisie waarop je kunt meespelen. Dat klopt gedeeltelijk. Ik vind The Floor bijvoorbeeld prima televisie: er verschijnt een categorie en thuis roep je sneller dan de kandidaat dat het antwoord natuurlijk Pierce Brosnan is. Leuk. Zelfde bij andere kennisquizzen.
Maar er is een verschil. Als ik een vraag bij The Floor fout heb, is die tien seconden later verdwenen. Mijn antwoord op vraag vijf helpt me niet om vraag zeventien op te lossen. Ik hoef vrijwel niets te onthouden. Mijn vrouw en ik kunnen ondertussen prima iets bespreken, de telefoon erbij pakken of drinken halen, en daarna stappen we weer in.
Bij Wie is de Mol? wil ik dat niet. Bij een goede serie trouwens ook niet: Avatar: Seven Havens kijk ik ook niet half terwijl ik de vaatwasser uitruim. Blijkbaar gaat het dus niet alleen om interactie. Het gaat om opgebouwde aandacht.
Ik wil dat iets wat twintig minuten geleden gebeurde nu ineens belangrijk blijkt. Dat één losse blik alsnog betekenis krijgt. Dat een spelregel waarvan ik dacht dat hij niets voorstelde toch het verschil maakt. Dat ik terug kan denken: shit, dat hebben ze dus gewoon laten zien.
Misschien speel ik televisie
En daar zit volgens mij uiteindelijk mijn antwoord. Ik hou niet automatisch van spelprogramma’s. Ik hou ook niet alleen van mysteries. En waarschijnlijk zegt het vooral niet dat ik mensen ontzettend goed kan lezen, want mijn Molgeschiedenis levert daarvoor bepaald weinig bewijs.
Wat ik leuk vind, zijn programma’s met een systeem dat ik langzaam kan proberen te begrijpen. Regels, informatie, keuzes, gevolgen. En mensen die ondertussen proberen dat hele systeem voor hun eigen voordeel te gebruiken. Eigenlijk precies wat een goed spel ook doet.
Misschien is dat waarom er ieder jaar weer een Molboekje op onze bank terechtkomt. Niet omdat ik werkelijk verwacht dat ik daarmee de productie te slim af ben; dat zou inmiddels vrij optimistisch zijn. Maar omdat kijken alleen blijkbaar niet genoeg is. Ik wil zoeken, twijfelen, terugdenken, verkeerd zitten en een week later met volledige overtuiging weer iemand anders aanwijzen.
Het boekje ligt tegen die tijd waarschijnlijk alweer dicht naast me. Maar dat geeft niet. Ik ben nog aan het spelen.
